Hart van Homo’s II

Zondag publiceerde ik een kort blogartikel over de organisatie Hart van Homo’s. Namens Hart van Homo’s heeft Wietske Kruyswijk hierop een waardevolle reactie geschreven op hun eigen website. Hieronder mijn respons.

Doel
In het artikel dat ik afgelopen zondag publiceerde (en dat later door Nieuwwij werd overgenomen) heb ik een kleine discoursanalyse gegeven. Dat is ook wat ik primair doe in mijn promotieonderzoek. Daarin beperk ik me tot publiek beschikbare informatie en vraag ik niet na wat iemand ergens mee bedoelt. Voor dit artikel heb ik me beperkt tot de missie van Hart van Homo’s (zoals ze die in hun persbericht hebben verwoord) en heb ik die geanalyseerd in de context van wat zij op hun website schrijven. Zij hebben als organisatie inmiddels in diverse media meer gezegd en ik hoop dat dit alles bijdraagt aan een open uitwisseling van gedachten tussen alle mensen van goede wil en vooral met het oog op het welzijn van de doelgroep die Hart van Homo’s wil bereiken: orthodox-christelijke homoseksuele jongeren.

Veilige ruimte
Namens Hart van Homo’s heeft Wietske Kruyswijk een reactie geschreven. Volgens haar trek ik de conclusie “dat je bij Hart van Homo’s de veilige ruimte niet zult vinden om jouw eigen weg te zoeken”. Volgens mij trek ik die conclusie niet – het citaat is dan ook niet te vinden in mijn artikel. Maar – toegegeven – ik had het achteraf bezien wat minder cryptisch moeten formuleren.
Wat ik schreef is dit: “Keuzes maken over hoe je relaties wilt invullen doe je in de praktijk. Om je weg daarin te zoeken heb je tijd nodig, een veilige ruimte en mensen die je helpen jouw weg te vinden. Dat vind je niet bij een organisatie die homoseksuele jongeren bij voorbaat in de richting van een celibatair leven manoeuvreert.” En dit is wat ik bedoelde: op grond van mijn analyse van het “wij” van Hart van Homo’s had ik de indruk dat zij homoseksuele jongeren bij voorbaat in de richting van een celibatair leven manoeuvreren. Als dat het geval is, dan krijgen deze jongeren niet de tijd, de veilige ruimte en de steun die ze nodig hebben. Kruyswijk schrijft ik haar reactie: “Jongeren die bij ons aankloppen en, nu of later, wel openstaan voor een relatie zijn óók welkom!” Ik kan niet meer dan zeggen dan dat het me erg goed doet dit te lezen.

Doelgroepen
Kruyswijk schrijft dat “Hart van Homo’s is gestart omdat we denken beter aan te kunnen sluiten bij álle homoseksuele jongeren afkomstig uit reformatorische en evangelisch hoek.” Wat ze echter in mijn artikel mist “is de erkenning dat onze doelgroep inderdaad op dit moment niet bereikt wordt door het huidige aanbod.”
Die erkenning ontbreekt inderdaad in mijn artikel. Maar ik zou niet durven stellen dat die doelgroep in het geheel “niet bereikt wordt door het huidige aanbod”. In de eerste plaats omdat ik geen empirisch onderzoek ken dat dit aantoont. In de tweede plaats omdat ik vanuit mijn eerdere baan als projectmanager van de LCC-alliantie weet dat deze organisaties feitelijk wel degelijk ook evangelische en reformatorische jongeren bereiken via themabijeenkomsten, christelijke festivals als de EO Jongerendag en lessen op scholen voor voortgezet onderwijs.
Tegelijkertijd worden naar mijn indruk evangelische en reformatorische jongeren door de LCC-alliantie inderdaad minder goed bereikt dan (mainline) protestantse en orthodox-gereformeerde jongeren. Dat besef is bij de LCC-alliantie de afgelopen jaren gegroeid, wat o.a. heeft geleid tot het project ‘Met ons allen’ (2015-2017).

Celibaat
In haar reactie op mijn artikel schrijft Kruyswijk: “Het lijkt wel alsof het idee leeft dat iedereen die kiest voor het niet aangaan voor een seksuele relatie dit onmogelijk kan doen vanuit een autonome positie.” Het lijkt erop dat zij dit idee ook in mijn artikel tegenkomt.

Even terzijde: zoals ik Hart van Homo’s aan het eind van mijn artikel impliciet de vraag stelde of zij een organisatie zijn “die homoseksuele jongeren bij voorbaat in de richting van een celibatair leven manoeuvreert” (zonder die vraag zelf al eenduidig positief te beantwoorden), zo stelt Kruyswijk mij hier impliciet de vraag of ik het idee heb dat iedereen die kiest voor het niet aangaan voor een seksuele relatie dit onmogelijk kan doen vanuit een autonome positie.

Maar zo denk ik niet over het kiezen voor een celibataire levensstijl. Dat heb ik laten doorschemeren toen ik schreef: “Dat Van Wijngaarden en Rose (beiden 45+) een dergelijke keuze weloverwogen kunnen maken betwijfel ik niet.” Ik ga niet mee in de (seculiere) visie dat het celibaat een inherent onmogelijke of schadelijke levensinvulling is. Daarmee distantieer ik me van sommige kritieken op Hart van Homo’s die in de media klinken. Daarmee distantieer ik me echter eveneens van de vroege Reformatoren, die hetzelfde beweerden over het celibaat. Dat het celibaat tegenwoordig door met name sommige orthodoxe protestanten weer uit de kast getrokken wordt wanneer men met homo’s en lesbiennes wordt geconfronteerd, vind ik uiterst dubieus en staat mijns inziens op gespannen voet met het idee dat het celibaat een gave is.

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized and tagged , . Bookmark the permalink.